Vanaf 2 mei schittert deze meer dan 2500 jaar oude Griekse vaas uit het depot even in het museum. Deze kruik (520-501 voor Christus) is gemaakt in Attika, een Grieks schiereiland met Athene als belangrijkste stad. Fritz Mayer van den Bergh kocht de vaas in 1889 samen met de hele verzameling van beeldhouwer en Louvre-restaurateur Micheli.

Attika was een belangrijk centrum van de Griekse beschaving. De vaas is een mooi voorbeeld van een halsamfoor in zwartfigurige stijl. Het is een kruik met aan beide kanten een verticaal oor, waardoor hij gemakkelijk kon worden opgetild. De kruiken werden gebruikt om vaste en vloeibare substanties - zoals olie, graan of vis - te bewaren en te vervoeren. Amforen vol wijn werden ook als prijs uitgereikt zoals bij de Olympische Spelen.

 

Dionysos en Leto

De personages op de vaas houden een wijnrank vast in de hand; een verwijzing naar Dionysos. Deze godheid staat links afgebeeld, met een lange baard en een krans van wingerd op. Dionysos was in het oude Griekenland de god van de wijn, de vruchten en de vruchtbaarheid. Hij wordt geassocieerd met drinkgelagen en feestpartijen.

De vrouw met kind rechts is mogelijk de mythologische godin Leto. Leto had samen met Zeus - de Griekse oppergod - twee kinderen: Apollo en Artemis. Uit angst voor de woede van Hera moest zij vluchten om haar kinderen in veiligheid ter wereld te kunnen brengen.

 

Technische specificaties

De Griekse halsamfoor is afkomstig uit de collectie Micheli en vervaardigd tussen 520 en 501 v. C.

  • Inventarisnummer: MMB.0754
  • Standplaats: depot
  • Afkomstig uit collectie Micheli
  • Vervaardigd tussen 520 en 501 v. C.
  • Herkomst: Attika (Griekenland)
  • Materiaal: Terracotta
  • Hoogte: 26,7 cm
  • Diameter: 17,5 cm

Aankoop

Op 15 november 1898 kocht Fritz Mayer van den Bergh de privécollectie van Louvre-restaurateur en beeldhouwer Carlo Micheli.

Deze verzameling middeleeuws beeldhouwwerk - vandaag nog steeds een erg belangrijke collectie - is te bewonderen in het museum zelf.

Wat velen echter niet weten is dat ook oudheidkundige artefacten deel uitmaakten van deze verzameling. De hier getoonde halsamfoor is daar één van. Hoe deze in de verzameling Micheli terecht is gekomen, is niet duidelijk. Wel weten we dat het gaat om een Griekse kruik, die vervaardigd werd op het schiereiland Attika tussen 501 en 520 voor Christus.

Attika was in die periode het centrum van de Griekse beschaving. Het omvatte onder andere Athene, één van de belangrijkste steden uit de Klassieke Oudheid. Deze regio was toen ook de belangrijkste producent van aardewerk.

Collectie Micheli

In de 19e eeuw waren meerdere ‘Micheli’s’ werkzaam in de Parijse kunstsector.

Deze families kwamen oorspronkelijk uit Toscane in het noorden van Italië en hielden zich onder andere bezig met restauratiewerken, beeldhouwen en de handel in kunst.

Van Carlo Micheli weten we dat hij specifiek voor het Louvre werkte. Zoals zijn grootvader Etienne Micheli en zijn vader Pierre-Laurent Micheli, was hij ‘chef de l’atelier de moulages’ - hij maakte dus plaasteren afgietsels en verrichte restauratiewerken. Net als Fritz Mayer van den Bergh had Carlo Micheli een doorgedreven passie voor kunst en slaagde hij er in, dankzij zijn kennis en smaak, een voortreffelijke verzameling aan te leggen. Ook hij was geïnteresseerd in kwaliteit, en niet zozeer in wat toen ‘in de mode’ was. Zijn interesse ging voornamelijk uit naar middeleeuwse sculpturen. Ondanks zijn beperkte budget kon hij toch verschillende waardevolle stukken op de kop tikken.

 

Verkoop

Vlak na de dood van haar moeder, en acht jaar na het overlijden van Carlo zelf, verkocht dochter Marie Micheli de collectie van haar vader. De groeiende interesse voor gotische kunst maakte dat zij hier een flinke som voor kon vragen.

Fritz Mayer van den Bergh was de allereerste geïnteresseerde koper maar had echter, volgens oud-conservator Jozef De Coo, geen directe concurrentie van enkele grote musea. Hij betaalde wel 144.000 frank voor de collectie. (Ter vergelijking: de 'Dulle Griet' kostte hem 488 frank.) Een groot bedrag dat hij enkel kon opbrengen dankzij een bijdrage van zijn moeder én een lening van 62.000 frank.

Om deze financiële put te kunnen vullen moest hij noodgedwongen een deel van de collectie weer verkopen. Van de 451 gekochte stukken verkocht hij het grootste deel, zijnde 246, aan de heer Soullié, een Parijse antiquair. Ook 19 andere stukken werden doorverkocht aan een Parijse antiquair: de heer Larmoy. Vijf kunstwerken werden eigendom van de heer Vermeersch, ééntje ging naar één van Fritz’ beste vrienden en de latere voorzitter van de raad van regenten August Delbeke. Op die manier verdiende hij een deel van de enorme kostprijs terug.

Een bepaald lot uit de collectie bood hij te koop aan aan het Koninklijk Museum van het Jubelpark in Brussel, maar aangezien zij er op stonden slechts enkele van de aangeboden werken daadwerkelijk te kopen, zag Fritz Mayer af van de verkoop. Gelukkig voor ons: onder andere het prachtige kerstwiegje dat nu te bewonderen is in zaal 6 was deel van dit lot.

De collectie Micheli vormt een belangrijk aandeel van de museumcollectie. Niet alleen de objecten in de Michelizaal zijn hieruit afkomstig, ook enkele topstukken zoals het Antwerpen-Baltimore vierluik en het Torenretabel zijn via Carlo Micheli in Museum Mayer van den Bergh terecht gekomen.

Aardewerk

Hoewel wij aardewerk uit o.a. de Klassieke Oudheid nu beschouwen als waardevolle kunstobjecten of archeologische artefacten, was dit toen een product dat simpelweg als gebruiksvoorwerp diende.

Een deel van de benaming van de verschillende soorten is dan ook door archeologen gegeven, omdat hier geen bronnen uit de oudheid voor zijn. Keramiek werd gebruikt voor allerlei doeleinden: de opslag en het vervoer van vaste en vloeibare stoffen, om uit te drinken en te eten, om cosmetica in te bewaren en zelfs als prijs of grafgift.

Uit de vorm en de versiering valt wel heel wat nuttige informatie af te leiden. Zo vertelt de vorm niet alleen meer over het gebruik van het voorwerp, maar ook over de periode en plaats van herkomst. Voor de situering van deze laatste twee aspecten wordt meestal ook naar de decoratie gekeken: in verschillende periodes uit de Oudheid werden andere technieken gebruikt en andere motieven gekozen. Evoluties in manier van vervaardiging, vorm, decoratietechniek en de gebruikte voorstellingen geven een mooi beeld van verschillende maatschappelijke evoluties in de Klassieke Oudheid. Dit valt zeer goed te illustreren aan de hand van de Griekse vaas die hier besproken wordt.

Een halsamfoor...

Deze vaas is een voorbeeld van een amfoor, meer bepaald een halsamfoor. Amforen zijn een soort containers die lijken op vazen met langs twee kanten oren, om ze te kunnen dragen. Naargelang ze uit één dan wel twee stukken vervaardigd werden spreken we van buikamforen dan wel halsamforen. Deze laatste soort toont een duidelijke overgang tussen hals en buik, iets dat duidelijk te zien is bij ‘onze’ vaas. Halsamforen onderscheiden zich ook duidelijk van geometrische en pro-Attische kruiken.

Ook binnen halsamforen vallen verschillende types te onderscheiden: grosso modo worden deze ingedeeld in ‘Ovoid’-, ‘Standaard’- en ‘Nolan’ halsamforen. Ovoidtypes hadden rondere ‘schouders’, waar dit bij de standaardversie iets groter en robuuster is. Nolan-types (genoemd naar de vindplaats) waren dan weer iets smaller en hadden een langere hals. ‘Onze’ vaas is een standaardtype.

 

... uit Attika

Vanaf ongeveer 600 voor Christus verschuift het zwaartepunt van de Griekse Oudheid naar Attika, de regio die onder andere Athene bevat. Dit gebied eist ook stilaan meer en meer het monopolie voor aardewerkproductie op, wat te danken is aan een goede techniek en degelijke materialen. Vazen uit dit gebied zijn te herkennen aan de rode kleur. De gebruikte ‘Attische’ klei bevatte namelijk ijzer dat roodachtig verkleurde door oxidatie tijdens het bakproces.

De manier waarop versieringen werden aangebracht, laten toe meer specifiek de periode van ontstaan af te bakenen. In de 6e eeuw V.C. werden figuren met zwarte verf aangebracht op de roodkleurige ondergrond. Eventueel werden deze na het bakken aangevuld met inkervingen en witte of paarsachtige verf. Dit wordt de ‘zwartfigurige stijl’ genoemd.

Ongeveer een eeuw later werd dit proces omgedraaid: de vaas zelf werd nu zwart gekleurd en de uitgespaarde figuren waren roodachtig, nadien verder verfijnd met een dun penseel met zwarte verf. De gebruikte motieven blijven echter gelijkaardig: taferelen uit het dagelijkse leven en mythologische scènes moesten de welvaart van Athene tonen.

Tot ongeveer 480 voor Christus worden deze scenes vrij ‘streng’ afgebeeld: de lichaamshouding is eerder stijf en tweedimensionaal en ogen worden in vooraanzicht weergegeven. Dit wordt later vrijer: de houdingen worden meer natuurgetrouw en ogen worden in zijaanzicht afgebeeld. Interessant is dat deze evolutie samen gaat met de veranderingen in de beeldhouwkunst. Voor de pan-Athenaeische spelen moest de amforen die als prijs gegeven werden wel zwartfigurig zijn tot de vierde eeuw voor Christus!

 

Mythologie

Vanaf ca. 600 voor Christus gebruikten de vervaardigers van het aardewerk voornamelijk taferelen uit het dagelijkse leven en mythologische figuren.

Vroeger werden eerder geometrische figuren en een meer Oosterse stijl (onder andere bloemen- en dierenmotieven) gebruikt. Op deze vaas wordt Dionysos weergegeven in gezelschap van een statige vrouw die aan een godin doet denken.

Zeus en Semele

Dionysos was de zoon van Zeus (de Griekse oppergod) en Semele (de dochter van een koning van Theba). Zeus werd - zoals wel vaker gebeurde - verliefd op de mooie Semele, tot jaloezie van zijn vrouw Hera. Die overtuigde Semele om Zeus te vragen in zijn ware gedaante aan haar te verschijnen, als bewijs dat hij werkelijk de oppergod was. Maar omdat Zeus in zijn ware gedaante vergezeld werd door bliksems en vuur, verbrandde Semele en met haar haar huis. Zeus kon nog net het kind dat zij verwachtte redden.

Ter bescherming verschenen er klimopranken aan de zuilen van het paleis, die dankzij de koelte van hun bladeren het de hitte voor het kind afschermden. Zeus verborg zijn zoon in zijn dij tot deze klaar was om geboren te worden. Hierna werd Dionysos naar Nysa gebracht en opgevoed door de nimfen die er woonden.

Dionysos is in de eerste plaats bekend als de god van de wijn, en wordt ook geassocieerd met vruchtbaarheid en de landbouw. Door deze ‘goede gaven’ wordt Dionysos ook gezien als de godheid die enthousiasme brengt en het goede in de mens naar boven brengt. Poëzie en muziek hangen hier mee samen. Ook feesten, drinkgelagen en dansen worden met Dionysos in verband gebracht.

 

Wijn voor Attika

Met Atikka had Dionysos een bijzondere band: de god vroeg onderdak in Attika en werd gastvrij ontvangen door Ikaros, de heerser van Ikaria. In ruil gaf Dionysos hem wijnplanten en leerde hem wijn maken. Trots en vol vreugde deelde Ikaros deze nieuwe drank uit aan de herders op zijn grondgebied. De herders werden echter dronken en dachten dat zij vergiftigd waren. Uit wraak doodden ze Ikaros en begroeven hem onder een boom.

Toen zijn dochter Erigone haar vader zocht en zijn graf vond dankzij haar hond Maira, verhing ze zich aan deze boom. Dionysos was woedend, nam wraak op het land door alle jonge vrouwen Erigone achterna te laten gaan en plaatste Ikaros, Erigone en Maira als sterren aan de hemel. Deze mythe verbeeldde de wijnstok als Ikaros, de druiven als Erigone en de warmte nodig om deze te doen bloeien als Maira en toont de speciale betekenis van wijn voor Atikka. Naar aanleiding van deze mythe werd het feest Aiora gevierd: kleine beeldjes werden in bomen gehangen en liederen werden gezongen ter ere van Ikaros en Erigone.

 

De kleine Dionysiën

Ook een ander feest ter ere van Dionysos werd met veel luister gevierd, voornamelijk in de landelijke gebieden rond Athene. De kleine Dionysiën, gevierd tijdens de winter, is het eigenlijke feest van de wijnoogst. Er werd gezongen, gedanst en allerlei zinnebeelden van de vruchtbaarheid werden aanbeden en vertolkt. Hier ligt trouwens de basis van het Griekse drama.

Buiten deze twee feesten werden nog andere feesten voor Dionysos gevierd, en werden verscheidene tempels aan hem gewijd. Dat we een afbeelding van deze godheid op een amfoor uit Attika aantreffen is dus niet verwonderlijk, zowel gezien de vermoedelijke inhoud van de kruik (vaste of vloeibare levensmiddelen en dus opbrengsten van het land) als door de plaats van herkomst. Ook de klimop- en wingerdranken die op de vaas afgebeeld staan, zijn trouwe metgezellen van Dionysos.

Dionysos is gekleed in een hymation, de vrouw in een peplos. Beide zijn typische kledingsstukken uit het oude Attika, bestaande uit rechthoekige lappen stof die rond het lichaam gedrapeerd werden. Uit dit soort afbeeldingen kan wel afgeleid worden hoe bepaalde kledingsstukken gedragen werden.

 

Leto

De afgebeelde vrouw op de vaas zou Leto kunnen zijn. Zij is een dochter van twee Titanen: Koios en Phoibe. Samen met Zeus kreeg ze een tweeling: Apollon en Artemis. Gedreven door de jaloezie van Hera werd zij gedwongen een plek te vinden om haar kinderen te baren. Geen enkel land wilde haar echter ontvangen uit angst voor Hera. Uiteindelijk vond ze een eiland, waar ze eerst Artemis kreeg en daarna 9 etmalen lang afzag tijdens de geboorte van Apollon. Na de geboorte verdwijnt Leto eerder op de achtergrond.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief